Waarop de politie mij uit de kerk escorteerde

In de basisschool in mijn thuisdorp Mol-Donk werd ik ooit eens in straf gezet. Ja, ooit. Dat was memorabel. Ik was een doodbraaf kind. Zo mocht ik ooit op het einde van een schooldag de klas verlaten vóór al mijn klasgenootjes, omdat ik als enige stilletjes aan mijn schoolbank zat. Bijster populair was ik dan weer niet…

Maar die ene keer moest ik dus toch op de strafbank. Ik had tijdens de speeltijd een stokje gegooid naar de grote kastanjeboom om de kastanjes te laten vallen. Een tiental minuten had ik gekeken hoe de andere jongens en meisjes enthousiast de boom bekogelden met alles wat niet vast stond. Ik schraapte al mijn moed bijeen, raapte een twijgje op (rebel, ik) en gooide het naar de boom. Kortom: geradicaliseerd tot en met, maar helaas op het verkeerde moment. De toezichter pikte mij er meteen uit, samen met twee andere delinquenten. In plaats van mijn straftijd in waardigheid uit te zitten, huilde ik de boel bijeen, alsof mij het grootste onrecht was aangedaan. Ik hoor één van mijn celgenoten nog zeggen:”Amai, die heeft het wel erg te pakken.”

Nogmaals, ik was een braaf kind en straf paste hoegenaamd niet in mijn zelfbeeld, zeker als de terechtstelling mij onrechtvaardig leek. Ik vond het (en nu eigenlijk nog steeds) heel onaangenaam, wanneer iemand in een gezagsfunctie kwaad of zelfs nog maar ontevreden is. Zelfs wanneer iemand anders naar zijn voeten kreeg, draaide mijn maag om. Daarenboven was ik ook een beetje een huilebalk, die het drama zelden schuwde, dus neen, echt, ik was niet het hipste kind op de speelplaats.

Houd dat getraumatiseerde kind aan de kastanjeboom in gedachten, terwijl we twintig jaar vooruit springen en de Donkse basisschool omruilen voor een kerk in Heverlee.

Ondertussen dertig jaar oud ben ik erin geslaagd om mijn totale gebrek aan machismo te vermarkten, namelijk als tenor in jong-volwassenenkoor Organum. Hoewel ik nog maar zeven jaar in de koorwereld vertoef, is het overduidelijk dat dit altijd al mijn natuurlijk habitat was. Ik zit op koorrepetities zelfs zo goed in mijn vel, dat ik soms een tikkeltje luidruchtig ben en, ja, zelfs soms wat arrogant durf doen. Het moet soms vermoeiend dirigeren zijn met mij in het koor. Vorige zondag had ik het heel erg, een beetje te erg misschien. Die arrogantie verdween echter als sneeuw voor de zon, toen plots…

…een politie-agente ons repetitielokaal binnenwandelde. Dat repetitielokaal is een Heverleese kerk, waarin wij vooraan bij het altaar repeteren. Onderschat het dramatische effect niet van een politie-agente die via het gangpad naar voren wandelt, terwijl het koorgeluid stem voor stem uitvalt. Van zodra onze dirigente zich bewust was van het pas gearriveerde publiek achter haar, werd het koor helemaal stil.

Waarop de agente vroeg of er iemand een Ford had geparkeerd in de Armand Thiérylaan.

Het ganse koor schudde ietwat bedeesd, maar duidelijk opgelucht het hoofd. Behalve één tenor.

“…Ja, ik heb een Ford geparkeerd,” zei ik angstig.

Waarop de agente: “Echo, Juliet, Whiskey?”

Ik staarde twee seconden naar de agente. Ik had ze niet begrepen. Bijna had ik gezegd: “Euh, neen, een Fiësta.” Ik hield het op een halfslachtige ‘excuseer’.

Waarop de agente: “Echo, Juli… ik bedoel E, J, W.”

Jawel, dat was mijn nummerplaat. De moed en mijn gemoed zakten in mijn schoenen en ik bekende.

Waarop de agente vertelde dat mijn auto voor een oprit van een huis stond, of dat ik de auto even kon verplaatsen. Dat ik geluk had, want dat sleepkosten duur zijn.

Ik sprong (letterlijk, ik sprong) uit mijn koorformatie en snelde de agente toe. Terwijl ik het koor achter mij smakelijk hoorde lachen, vertelde ik aan de agente dat ik het echt niet had gezien. Maar ik hoorde het mezelf zeggen en in mijn hoofd weerklonk samen met mij een koor van voormalige zondaars: Neen, wij hadden het ook écht niet gezien! Dus hield ik het verder op een verontschuldiging en uitte ik uitvoerig mijn dankbaarheid voor de moeite om de fout-parkeerder, mij, op te sporen.

Waarop de agente haar walkie-talkie tegen haar mond hield en zei: “Bestuurder in kerk gevonden, ik herhaal, bestuurder in kerk gevonden.”

Eens buiten bood ze mij nog een lift met haar combi, maar daar bedankte ik toch vriendelijk voor. Ik deed mijn ‘walk of shame’ naar de ‘crime scene’ liever te voet. Daar stond de andere politie-agent en een (uiteraard geheel terecht) misnoegde buurtbewoner. Ik herhaalde mijn verontschuldigingen en zei dat het nooit meer zou gebeuren. Zowel de buurtbewoner en de agenten herhaalden daarop dat ik geluk had.

Ze hadden gelijk. Ik héb ook echt geluk gehad. Ja, omdat ik nipt een stevige kost heb vermeden. Maar ook, omdat beide politie-agenten zeer hoffelijk waren. De buurtbewoner was een beetje ambetant, maar verder ook niet buitensporig kwaad.

Ik heb ook het geluk dat ik zeven jaar geleden een wereld heb ontdekt, waarin ik mij echt thuis voel, waarin ik mezelf kan zijn en waarin ik soms zelfs iets meer dan mezelf kan zijn. Waarin ik niet spontaan in een interne huilbui verzand als ik even op mijn plaats word gezet.

Dus keerde ik terug naar mijn koor. Weliswaar met knikkende knieën, maar eveneens met opgeheven hoofd. Ik zong de rest van die avond misschien een toontje lager, maar ik keerde terug. Hoe banaal dat ook moge klinken, dat was belangrijk voor mij. Dat ik terugkeerde.

Oh ja, Echo Juliet Whiskey keerde terug…

Advertenties

One thought on “Waarop de politie mij uit de kerk escorteerde

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s