De lichtblauwe kamer (waargebeurd studentikoos griezelverhaal)

VII

Het is donker en het is koud. Het sneeuwt niet, het vriest niet en het waait niet. Het is gewoon koud. Typisch februari, een pauze tussen de seizoenen, stilstand, alles herleid tot zijn kille essentie. De Dijle is een grijze watermassa en stoepranden zijn stoepranden. Buiten hebben mensen allemaal hetzelfde doel: stilletjes ergens anders naartoe gaan. Buiten heeft niets te bieden buiten koude. Die nacht ben ik ook op pad. Ik keer met de laatste trein van Brussel-Noord terug naar Leuven van een concert. Deftones, ze hebben het ooit beter gedaan, maar ik en vriendin Annabel hebben ons geamuseerd. We praten tijdens de treinrit nog wat na. In dezelfde wagon zitten een paar andere concertgangers, de conducteur (het is een vrouw) en hier en daar nog een verdwaalde ziel. Het valt mij op dat ik ’s avonds wel vaker een vrouw als conducteur tegenkom en ik mijmer over een glazen plafond bij de verdeling van de shiften. Minstens één verdwaalde ziel luistert.

VI

In Leuven neem ik afscheid van vriendin Annabel en fiets naar mijn studentenkot in de Mechelsestraat. Neen, het gaat hier niet om dat mooie, autovrije stukje met al die chique winkeltjes. Mijn kot ligt achter de Dijle, dichtbij de oude fabrieksbuurt. Leuven is een veilige stad, maar na twaalf uur ontsnapt niemand aan dat onbehaaglijke gevoel in die smalle, kronkelende eenrichtingsstraat met enkel hoge, grauwe gevels als uitzicht. Zeker nu tijdens de lesvrije week is de Mechelsestraat een doodse plaats; als je dan iemand ’s nachts tegenkomt, is het alvast geen dronken student. Ik denk buiten mezelf één iemand te horen, maar ik kan me vergissen. Achtergrondruis van een stad in winterslaap.

V

Mijn studentenkot is een hoog, oud herenhuis met daarachter een binnenkoer en een ietwat modernere achterbouw, goed voor dertig studenten. De studenten van beide gebouwen hebben weinig contact met elkaar, maar waar je tijdens het academiejaar normaal altijd wel iemand tegenkomt in de inkomhal, is het nu intens stil. De geluiden die mijn fiets maakt wanneer ik ze op slot doe, klinken des te zuiverder in de hoge hal. De steile trap op – elke kraak geeft een holle naklank – ga ik naar mijn kamer op de eerste verdieping. Slot open, deur open, licht aan, deur toe en deur op slot. Voordat ik ga slapen – ik heb reeds mijn pyjamabroek en dito T-shirt aan – zet ik nog snel mijn computer op om mijn e-mail te checken. Ik zet mijn hoofdtelefoon op en luister al e-mailend naar de tweede cd van Deftones. Goeie muziek. Ik type mijn laatste mail, wanneer ineens…

IV

De computer springt uit, de muziek valt uit en de lichten op mijn kamer ook. Ik ben verblind door de plotse duisternis. Na enkele seconden zie ik stilaan de straatverlichting langs mijn gordijnen heen snijden. Ik doe mijn hoofdtelefoon af en luister. Niets, muisstil. Geen donder, geen bliksem, geen onweer. De straatverlichting werkt, dus het is ook geen algemene elektriciteitspanne, redeneer ik. Ik kijk achterom naar de deur van mijn kamer. Niets. Geen licht van de gang dat door het sleutelgat schijnt. Het is dus het ganse gebouw, niet alleen mijn kamer. Ik weet wat ik moet doen; de stoppenkast bevindt zich op het gelijkvloers aan de trap. Het enige licht dat ik heb, is dat van mijn gsm-schermpje, dat om de tien seconden uitgaat. Ik doe mijn deur open; ze kraakt. Daarna: muisstil. Ik schijn met mijn gsm naar de trap; ik zie nauwelijks de eerste treden. Gsm-licht uit; ik druk op een knop en hij schijnt terug. Van maanlicht is geen sprake, het gsm-licht is alles wat ik heb. Muisstil. Ik wandel naar de trap. Trede voor trede ga ik op mijn blote voeten naar beneden. Elke beweging wordt via mijn voeten doorgeseind naar de trap en geeft een zagerige kraak. Licht uit, knop, terug licht. Kraak. Kraak. Kraak. Licht uit, knop, terug licht. Uiteindelijk voelt mijn voet koude tegels. Gelijkvloers. Muisstil. Ik schijn in de richting van de stoppenkast. Ik ga ernaar toe en doe ze open. Licht uit, knop, terug licht. Ik kijk naar de schakelaars; ze staan allemaal aan. Ik draai de hoofdschakelaar uit en aan. Er gebeurt niets. Licht uit, knop, terug licht. Ik kijk nog eens goed naar de stoppenkast, maar zie niets abnormaals. Wat kan dan het probleem zijn, vraag ik me af. De straatverlichting werkt en het is geen kortsluiting. Plots achter mij een stem. Licht uit.

III

Knop, terug licht. Ik schijn in het rond. De hal is leeg, verlaten. Muisstil. ‘Hallo’, zeg ik en ik vervloek mezelf ogenblikkelijk te vervallen in zo’n stereotypische uitroep. Muisstil. Licht uit. Weer die stem! Een vrouwenstem in de verte, ze klinkt in paniek. Neen, paniek is het niet, ze klinkt bezorgd. Angstig? Knop, terug licht. Nog altijd niets te zien. Ik wandel de hal uit, voet per voet op de stenen vloer, doe de voordeur open en kijk links en rechts de straat in. Niemand. Leegte. Ik weet niet waarom, maar de straat voelt killer aan dan anders. Leger. Donkerder dan normaal, ook al geeft de straatverlichting haar gekende oranje gloed. Ik doe de voordeur dicht en zet mijn gsm-licht terug aan. Ik wandel naar de andere kant van de hal, voet per voet, en doe de deur naar de binnenkoer open. Ik zie licht. Licht uit het raam van een studentenkamer op het gelijkvloers van de achterbouw. Het is een ijzig, lichtblauw licht tegen een lege, witte wand. Het raam staat open. Ik zet een paar passen in de binnenkoer en schrik van de koude ondergrond. Ik kijk instinctief naar beneden om daar enkel mijn blote voeten te zien, stenen en hier en daar wat mos. Ik kijk terug omhoog en zie ‘het’.

II

Een silhouet. De gedaante van een man in de lichtblauw verlichte studentenkamer. Hij kijkt naar mij, maar ik zie zijn gezicht niet, enkel zijn contouren. Mijn bloeddruk schiet de hoogte in. Ik herneem mijn adem en vraag: ‘Euh, hallo, heb jij wel elektriciteit?’ De gedaante zegt niets, blijft bewegingloos staan. Ik ook. De gedaante en ik staan bewegingloos naar elkaar te staren. Ik steeds meer verontrust. En hij? Wie weet. Ik probeer nog eens: ‘Hallo?’ De gedaante zegt niets, blijft staan. Plots richt hij zijn rechterarm naar mij en er schijnt een fel wit licht uit zijn hand. Ik zie niets, enkel wit. Ik houd mijn hand voor mijn ogen en probeer te wennen aan het licht. Ik zie het silhouet weer staan, in de kamer, bewegingloos, met zijn arm naar mij gericht. Duizelend door het licht probeer ik een laatste maal: ‘Hallo?’ De gedaante antwoordt.

I

Met een zwaar Spaans accent hoor ik: ‘You speak English?’ Een vlaag van opluchting overvalt me. ‘Yes, hello. I was wondering, do you have electricity?’ Zijn arm gaat naar beneden. Blijkbaar heeft zijn gsm een sterker lichtje dan die van mij. ‘No no, no Internet too. I only have my laptop.’ Ik keek langs de gedaante naar de bron van het lichtblauwe licht. Een laptop. Een laptop, een gsm en een Erasmusstudent. Ineens hoor ik achter mij een bezorgde vrouwenstem: ‘Ligt heel het gebouw plat?’ Elvi, van de kamer aan de hal. Ik ken ze niet goed, maar zal ze nu nooit meer vergeten. We gaan met ons drieën naar buiten op straat; daar zijn nu wel een paar mensen. Buren. Buren van onze kant van de straat. Blijkbaar is er wel een algemene elektriciteitspanne, maar enkel aan onze kant. De straatverlichting staat aan de overkant. Met weinig uitzicht op een snel herstel van de elektriciteit besluiten we, de drie studenten, een filmpje op te zetten. Op de laptop welteverstaan. Een horrorfilmpje. ’t Is de nacht ervoor.

Advertenties

One thought on “De lichtblauwe kamer (waargebeurd studentikoos griezelverhaal)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s